Kousbroek: ook een grappige man
Een intellectueel zoals er nog maar weinigen zijn in Nederland, noemen vrienden en bekenden Rudy Kousbroek. Een man die graag polemiseerde, maar ook zijn ongelijk kon bekennen. De literaire wereld haalt herinneringen op aan de overleden essayist. „Hij wist zo ontzettend veel, daar viel niet tegenop te boksen. Hij wist altijd alles beter.”
Schrijver Maarten Asscher was in de jaren negentig uitgever van Rudy Kousbroek bij Meulenhoff en zat ook de jury voor van de Jan Hanlo Essayprijs die Kousbroek in 2005 kreeg toegekend voor Opgespoorde wonderen. Voor Asscher is Kousbroek, samen met Karel van het Reve, de belangrijkste essayistische schrijver. „Hij is voor mij een zeer groot voorbeeld van iemand die het persoonlijke, het autobiografische kan combineren met het politieke, het historische, het maatschappelijke. Bovendien is hij een meester van de ontroering. Zijn essays geven het gevoel dat je iets persoonlijk is overkomen. Dat wil niet zeggen dat ik zijn fascinaties deel. Zijn dierenliefde deel ik bijvoorbeeld in het geheel niet. Maar als hij schrijft over vier pony’s die zijn gestorven of over een eend die is overleden, dan sleept hij je toch mee. Door zijn taalgebruik betrekt hij je in zijn emotionele beleving. Rudy Kousbroek was zowel een kritisch rationalist was als een gevoelsmens. Dat is een bijzondere combinatie.”
Asscher meent dat met het overlijden van Rudy Kousbroek het tijdperk waarin journalisten op hoog niveau essays publiceerden in dagbladen voorbij is. „Er wordt nog wel op hoog niveau journalistiek bedreven, maar het is niet meer zo dat iemand 2.500 tot 3.000 woorden schrijft over koloniale galerijenarchitectuur, de kampen in Nederlands Indië, het maoïsme in Frankrijk of een aspect van de wiskunde. In deze tijd van tabloidiserende kranten stemt dat extra weemoedig.”
Kousbroek was voor Asscher een „leermeester”. „Hij schreef in een prachtig idioom. Zijn bestrijding van religie was mij ook sympathiek. Hij spreidde een weldadig atheïsme tentoon, niet om mensen daar bewust mee te kwetsen, maar omdat hij religie afwees als zelfbedrog en dat hield hij zijn leven lang vol. Het valt te hopen dat zijn invloed blijvend is, want de verdwazing is allerwegen.”
Journalist Jan Blokker kruiste regelmatig de pen met Rudy Kousbroek, onder meer over de Japanse keizer Hirohito, die Kousbroek verdedigde. „Hij kon slecht tegen kritiek”, zegt Blokker. „Ik had een stuk geschreven over de rol van Hirohito tijdens de Tweede Wereldoorlog, en daar reageerde hij fel op. Hij verdedigde de Japanners, en ook de keizer, tegen de in zijn ogen ‘racistische’ Nederlanders.”
Toch bewaart Blokker dierbare herinneringen aan hem. „Wat mij het meest is bijgebleven”, zegt hij, „is een telefoongesprek uit de jaren tachtig. Ik heb een vrouw die in Nederlands Indië is geboren. Zij had wat reserves tegenover Kousbroeks opstelling tegenover wat hij noemde het ‘Oostindisch kampsyndroom’. In 1985 ging ik met haar terug naar Indonesië. Ik heb toen een artikel geschreven waarin ik die reis beschrijf. Het ging over de ondeelbare herinnering van mensen als mijn vrouw. Ze zijn dat land, waar ze geboren en getogen zijn, kwijt, maar kunnen er nooit over praten. De Jeroen Brouwers-Rudy Kousbroek-discussie. Het stuk stond op een zaterdagochtend in de krant. Op een belachelijk vroeg uur ging de telefoon. Het was Rudy Kousbroek, die een beetje stotterend en aangedaan zei: ‘Nu begrijp ik het.’ Hij had een afkeer van sentimentaliteit, maar op dat moment leek hij even in een plek geraakt die hem ook nabij was.”
Schrijver/dichter K. Schippers vindt dat er soms wat te ernstig over Kousbroek en zijn werk wordt gedaan. „Hij zei zelf, of misschien schreef hij het, dat weet ik niet meer: ‘In een goed stuk moet altijd iets te ginnegappen zijn.’ Schippers herinnert zich Kousbroek dan ook als „een hele grappige man”. „Er is in Amsterdam een volkstuinencomplex, Nieuw Vredelust, en dat heeft een eigen blad. Rudy Kousbroek en ik, maar ook anderen, zoals Adriaan van Dis en Maarten ’t Hart, vonden het wel een grappig idee om daar onder pseudoniem stukjes voor te gaan schrijven. Hij schreef onder de naam Jan Salie. Dat hebben we vijftien jaar gedaan. Een practical joke, wat schrijven in zekere zin ook is.”
Wout Woltz, oud-hoofdredacteur van NRC Handelsblad prijst de gedrevenheid en het enthousiasme van Rudy Kousbroek. „Hij stond een beetje bekend als een brombeer, en dat was hij soms ook wel, maar daartegenover stond dat hij mensen enorm kon stimuleren. Hij was ook helemaal niet jaloers, als iemand anders iets goed had gedaan, dan reageerde hij daar vreselijk enthousiast op.” Het was wel eens lastig discussiëren met Kousbroek, zegt Woltz. „Hij wist zo ontzettend veel, daar viel niet tegenop te boksen. Hij wist altijd alles beter.” Toch kon Kousbroek ook zijn ongelijk bekennen. „In zijn briefwisseling met W.F. Hermans schrijft hij een paar keer dat hij ongelijk had, bijvoorbeeld over de rol van Hirohito in de Tweede Wereldoorlog. Het is groot dat hij dat deed. Dat paste ook in zijn idee van intellectuele integriteit.”
Op de redactie zat Kousbroek soms uren te zuchten en steunen. „Dan lukte het schrijven niet, kon hij het niet onder woorden wat hij dacht, en zat hij uren naar een witte muur te staren. Als je dan achteraf las wat hij had geschreven, begreep je dat ook. Intellectuelen zoals hij zijn er weinig in Nederland.”
Bastiaan Bommeljé, hoofdredacteur van het literair-cultureel tijdschrift Hollands Maandblad, waarvoor Rudy Kousbroek tien jaar lang schreef, zegt dat met Kousbroek „een generatie uitsterft die op een unieke manier journalistiek en een intellectueel wereldbeeld wist te combineren.” „Hij behoorde tot een generatie die daarvoor ook de bagage had. Er zijn nu nog wel mensen die proberen die vorm te kopiëren, maar die hebben niet dezelfde inhoud. Wat dat betreft mag Nederland zichzelf wel eens in de spiegel bekijken. Gelukkig hebben we zijn boeken nog.”
Tilly Hermans bewaart een aangename herinnering aan haar eerste ontmoeting met Kousbroek, in 1982. „Hij had toen al heel lang geen boek meer gepubliceerd, schreef nog wel prachtige artikelen in de krant. Op advies van Adriaan van Dis toog ik naar Parijs, om Rudy Kousbroek over te halen een boek te maken. Tijdens een snikhete zomernacht heb ik met hem en zijn vrouw Sarah tot vier uur ’s nachts met een fles wijn aan de Seine zitten praten. Wat een hartelijke en geestige man! Het is een van de allerleukste ontmoetingen met schrijvers die ik heb gehad. Ook ons laatste contact was heel goed. Een aantal dagen geleden heb ik hem een foto gestuurd van mijn poezen in een mandje. Hij stuurde me een e-mail waarin hij me heel hartelijk bedankte. We waren het erover eens dat poezen volmaakte wezens waren, op twee dingen na: ze kunnen je niet uitzwaaien en ze nemen de telefoon niet op.”
Adriaan van Dis: „Voor mij Kousbroek degene die me anders naar Indië heeft doen kijken. Hij heeft me voortdurend aan het denken gezet over Indië. Hij was een noodzakelijk baken in de Indische gemeenschap. Zijn beschouwingen over Indië bevatten veel waars, al was ik het niet altijd met hem eens. Zijn visie op de rol van de Japanse keizer in de Tweede Wereldoolog deel ik bijvoorbeeld niet. Maar als ik inzake Indië zou moeten kiezen tussen de polemist Kousbroek en zijn tegenstanders, koos ik voor hem. Gelukkig hoef ik niet te kiezen, want kiezen is ook verliezen.
Kousbroek was een man die het sentiment schuwde. Of beter gezegd: hij leek er bang voor, zeker als het Indië betrof. Hij was juist zeer gevoelig. Als hij over zijn jeugd in Indië vertelde, was hij herhaaldelijk tot tranen geroerd. Maar in zijn essays liet hij dat nauwelijks toe. Behalve in zijn stukken over dieren. Op dieren, onze medereizigers, projecteerde hij zijn verboden verlangen naar sentiment.”
Necrologie van Rudy Kousbroek.
Interview met Rudy Kousbroek (2009)
Recensie van het recent bij uitgeverij Augustus verschenen boek ‘ Restjes – Anathema’s 9′met verspreide stukken van Rudy Kousbroek



woensdag 7 april 2010, 21:38 uur
Als eenvoudig lezer van Kousbroek heb ik weinig zo niet niets toe te voegen, wel ben ik al deze schrijvers/commentatoren erkentelijk voor hun obsrevaties want Rudy krijgt daarmee de aandacht die hij inderdaad verdient. Als ik hem las vergat ik mijn omgeving zoals dat met een mooi muziekstuk kan geschieden.
‘Wie schrijft, die blijft’.
Joost G