Vals spel in China

Edgar Allan Poe, zo staat te lezen in de recente vertaling van diens door Peter Ackroyd geschreven biografie, had als schrijver aanvankelijk nauwelijks succes omdat er met Amerikaanse literatuur in de negentiende eeuw lange tijd geen droog brood te verdienen viel. De reden was dat uitgevers in de Verenigde Staten destijds massaal Britse literatuur op de markt brachten zonder de rechten te betalen. Met die ‘gratis’ kopij kon een Amerikaanse schrijver niet concurreren. Omgekeerd klaagde het Britse parlement ook over de Amerikanen, die het Britse import zeer moeilijk maakten maar zelf wel ongehinderd exporteerden.

Kritiek is terecht, maar Westen moet ook bij zichzelf te rade

Opkomende economieën – of het nu gaat om het Amerika van destijds, om Japan daarna of China nu – brengen het tot grootmacht door gebruik te maken van de openheid van hun concurrenten. Tegelijkertijd proberen zij het ontluikende bedrijfsleven in eigen land zo veel mogelijk te beschermen.

Pas later, wanneer zij stevig genoeg in hun schoenen staan, passen zij zich beter aan de mores in het internationale verkeer aan. Zeker als ze zelf een buitenlands en intellectueel belang hebben opgebouwd dat het verdedigen waard is. De vroegere schender van het octrooirecht werd, in het geval van de VS, een van zijn ferventste verdedigers.

Buitenlandse firma’s strijden nu in China om de nieuwe markt van 1,3 miljard consumenten, of produceren er voor de export met behulp van goedkope arbeidskrachten en soepele regelgeving.

Westerse bedrijven zijn tot nu toe zeer ver gegaan om toegang tot China te krijgen. Betrouwbare data zijn er nauwelijks, maar het lijkt erop dat het aantal westerse ondermeningen dat daadwerkelijk winst maakt in China relatief gering is, terwijl de offers onverminderd groot zijn. Dat heeft zijn grenzen.

Dit weekeinde brachten twee Duitse topondernemers, Jürgen Hambrecht van chemieconcern BASF en Peter Löscher van Siemens, hun grieven openlijk onder de aandacht van de Chinese premier Wen Jiabao. Hun ondernemingen worden gedwongen technologie over te dragen aan Chinese partners in ruil voor markttoegang en worden benadeeld bij overheidsopdrachten. Begin deze maand liet topman Jeffrey Immelt van het Amerikaanse General Electric zich in soortgelijke termen uit, zij het tijdens een informeel diner.

De kritiek snijdt hout. China is inmiddels zover gevorderd in de vaart der volkeren, dat van het land mag worden verwacht dat het een volwassen rol op zich neemt, inclusief het respecteren van patenten en de gelijke behandeling van buitenlandse firma’s. Het is daarom goed dat Duitse bedrijven de ban hebben gebroken die rond kritiek op de Chinese autoriteiten hangt, al suggereert hun stap ook dat zij kennelijk weinig te verliezen hebben.

Overigens blijft ondernemen wel gewoon een afweging tussen genomen risico’s en verwacht rendement. In die zin hebben westerse bedrijven het ook aan zichzelf te danken als zij, na de overdracht van hun expertise en ervaring, straks met lege handen blijven staan.