Glamour-armoe
Rotterdam mist glamour, blogde de filmcriticus van NRC Handelsblad. Met ‘Rotterdam’ doelde hij niet op de stad, maar op het filmfestival dat zich daar voor de 39ste keer ontrolt. De chef van de kunstredactie had in zijn verslag van de opening van het Rotterdamse filmfestival ook al een „gebrek aan glamour’’ vastgesteld. En de gewone bezoeker van het International Film Festival Rotterdam (IFFR) constateert hetzelfde. Het is fijn om te kiezen uit al die filmvertoningen, maar voor de buitenzaalse opwinding moet je hier niet zijn. Het is druk. Meer niet.
Rotterdams
IFFR heeft
een reputatie
te verliezen
Het IFFR is een serieus filmfestival. Met een uitbundig programma-aanbod van ‘arthousefilms’. Met een hoofdprogramma waarin wordt gedongen naar zogenoemde Tiger Awards. Met een massaal publiek dat na afloop de films met een cijfer mag beoordelen.
Het festival richt zich op de niet-commerciële film. Daar past glamour niet, is de gedachte, daar gaat het niet om.
Die gedachte is een vergissing.
Het IFFR is nu zo uitgegroeid dat het niet meer voorziet in één groot feest, maar in reeksen parallelle werelden die steeds hoogstpersoonlijk worden ingevuld. Werd er vroeger met elkaar nagepraat over een gedeelde ervaring, nu wordt er vooruit gepraat: de bezoekers sturen elkaar naar films toe, want ze zagen zelden hetzelfde.
Des te leuker, zolang er maar iets anders is dat het festival bindt. Iets dat het onderscheidt van zijn eigen voorgaande jaargangen – worden die inwisselbaar dan dreigt versuffing: heb je één festival gezien, dan heb je ze allemaal gezien.
Juist voor die saamhorigheid en dat onderscheid is glamour uiterst geschikt.
Glamour staat voor meer dan diva’s in gala, paparazzi en Brad Pitt. Glamour is iets wat hangt aan iemand die onmiskenbaar hoort tot de wereld van de cinema. Iemand die apart is, op het onweerstaanbare af. Dat kan zijn door zijn of haar rollen, maar net zo goed doordat deze persoon als filmer het denken van de toeschouwer zo’n tik gaf dat die even dacht dat zijn leven veranderde. De nadrukkelijke aanwezigheid van zo iemand draagt, samen met de vertoning van diens films en met zijn of haar openbare optreden, uit dat het filmfestival groter is dan alle films die het vertoont bij elkaar.
Het IFFR heeft op dat gebied een reputatie te verliezen. Het kende het jaar van de mensenschuwe Franse meester Eric Rohmer (die het lokte met de belofte van een bezoek aan de Mondriaans in het Haags Gemeentemuseum). Het jaar van Jean-Luc Godard, samen aan de bar met Marguerite Duras. Het jaar dat Andrei Tarkovski zijn adorerende publiek inwreef dat ze zijn films toch nooit konden begrijpen omdat ze het Russisch niet machtig waren. Enzovoorts.
Geen van hen kon doorgaan voor een doorsnee ster; elk bracht de glamour van de geest met zich mee en dat was genoeg.
In Rotterdam gonst het niet erg. En dat is gevaarlijk voor een festival.


