Hulp met de feiten
Het tij keert voor het Nederlandse beleid ten aanzien van ontwikkelingssamenwerking. De afgelopen zestig jaar werden, zeker vergeleken met de gespendeerde bedragen, nauwelijks vragen gesteld over de effectiviteit ervan. Nu lijkt het hek van de dam. Hulp deugt niet, werkt niet, helpt niet.
Koenders moet durf tonen bij herijken van de ontwikkelingshulp
In het gisteren gepubliceerde rapport Minder pretentie, meer ambitie stelt de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) terecht vast dat de onderbouwing van de argumenten tégen ontwikkelingshulp wetenschappelijk vaak even gebrekkig is als die van argumenten ervóór. Het WRR-rapport is een goede poging om de discussie over het beleid nu eindelijk te objectiveren.
Dat wil niet zeggen dat de Raad terugschrikt voor stevige aanbevelingen. Zo zou de hulp niet moeten worden geconcentreerd op 36 landen, maar op slechts 10. Er moet volgens de WRR meer accent worden gelegd op economische ontwikkeling in plaats van op sociale steun, die een steeds groter deel van de hulp is gaan uitmaken. En het eufemisme ‘ontwikkelingssamenwerking’ kan beter weer plaatsmaken voor het oudere ‘ontwikkelingshulp’. Daarnaast pleit de WRR voor de oprichting van een aparte ontwikkelingsorganisatie, buiten de huidige diplomatieke infrastructuur om: zoals het Amerikaanse USAID. Ook is het percentage van 0,7 procent van het bruto nationaal inkomen (plus 0,1 procent klimaatgerelateerde uitgaven) als norm niet langer heilig.
Dit zijn verstrekkende voorstellen voor een land dat van oudsher de ranglijsten van hulpgevers in relatieve én absolute zin aanvoert. Het is verheugend dat de WRR zich niet op voorhand heeft laten leiden door de politieke haalbaarheid van zijn ideeën. Daarvoor is het onderwerp ook te veel in beweging. Het draagvlak bij de burgers voor de huidige praktijk vermindert, en politiek is het al lang niet meer onbespreekbaar om er vraagtekens bij te plaatsen. Een open discussie is al langer gewenst. Het WRR-rapport is daarvoor een uitstekende basis.
Wat dat betreft is de eerste reactie van minister Koenders (Ontwikkelingssamenwerking, PvdA) teleurstellend. Hij schoot gisteren vrijwel alle ideeën van de WRR op voorhand af. Alleen het voorstel om meer onderwerpen die verband houden met globalisering, klimaat- en voedselvoorziening bij zijn ministerie onder te brengen kon, niet verrassend, op zijn onverdeelde enthousiasme rekenen. Die reactie doet denken aan die van premier Balkenende op het Irak-rapport van de commissie-Davids vorige week. De inkt van het rapport is nog niet droog, of de verantwoordelijke bewindsman maakt de indruk het het liefst naar de la te verwijzen.
Dat verdient dit werk niet. De praktijk van de Nederlandse inspanningen op het terrein van ontwikkelingshulp is hoognodig toe aan evaluatie en herijking. Ontwikkelingshulp is een industrie, zeker in Nederland, met gevestigde belangen die niet altijd meer te maken hebben met het doel. Hoog tijd om de sector op te schudden. Het zou juist de minister zelf moeten zijn die daar het voortouw bij neemt.


