*

commentaar » Volkenrecht terzijde :: nrc.nl

Volkenrecht terzijde

Wie hoopt op invloed van het volkenrecht in kwesties van oorlog en vrede, is na het rapport van de commissie-Davids over de inval in Irak in 2003 een illusie armer. Althans in politiek en ambtelijk Den Haag van 2002 woog het volkenrecht niet mee, zo is gisteren gebleken.

Hypocriete argumentatie voor steun aan inval in Irak

Volkenrechtelijke argumenten zijn ondergeschikt gemaakt aan politieke belangen. Voor de militaire operatie in Irak was volgens de commissie uiteindelijk dan ook geen adequaat juridisch mandaat. Het volkenrechtelijke argument dat door Nederland wél werd gehanteerd was „niet goed te verdedigen”. En er was ook geen sprake sprake van een degelijke of actuele juridische voorbereiding. Op Buitenlandse Zaken verschilde men bovendien onderling sterk van mening, hetgeen „hoogst ongelukkig” was.

Deze constateringen vormen voor het aanzien van Nederland niet minder dan een afgang. ‘Den Haag’ voert immers traditioneel een sterk juridisch-ethisch buitenlands beleid dat zich richt op internationale organisaties, mensenrechten en verdragen. Het kabinet wil Den Haag bovendien tot wereldhoofdstad van het internationale recht maken. Maar als Nederland door de traditionele Atlantische bondgenoten onder druk wordt gezet, moet het recht wijken voor de macht. En niet zo’n beetje ook.

Toen in 2002 op Buitenlandse Zaken moest worden nagedacht over de legitimatie van een inval in Irak, is het volkenrecht misbruikt om dat goed te praten. De commissie-Davids levert daarvoor het treurige bewijs in de vorm van een citaat van een medewerker van Buitenlandse Zaken. Die beschreef het juridisch fundament voor de inval als „flinterdun [maar] hier misschien dik genoeg voor ons om ermee door te gaan”. In de ambtelijke oordeelsvorming werd het ‘flinterdun’ vervolgens aangedikt tot ‘dun’, ‘niet ijzersterk’ en ‘mager’ via ‘voldoende’ naar het oordeel dat een nieuwe VN-resolutie die een steviger juridische basis zou leveren ‘niet onontbeerlijk’ was. Waarna de minister de volkenrechtelijke onderbouwing van de Nederlandse steun als „toereikend” en „adequaat” durfde te kwalificeren.

Ook toen was dat al een riskante lijn. De inval was immers bedoeld om een bewind omver te werpen, terwijl het internationale recht daarvoor nooit enige zelfstandige grondslag had geboden. Het werd ook toen al gezien als hoger juridisch opportunisme om dan maar de ‘verzamelde’ VN-resoluties die Bagdad niet uitvoerde – en waarvan enkele toen al ruim tien jaar oud waren – aan elkaar te nieten en als een soort samengestelde rechtsgrond voor een inval te definiëren.

De kanttekening van commissielid en voormalig BZ-ambtenaar Peter van Walsum dat het kabinet er „beter aan had gedaan” te erkennen dat er geen volkenrechtelijk overtuigende rechtsgrond was, komt als een laat mea culpa. Inderdaad, had duidelijk gemaakt dat er vitale politieke doelen zijn waarvoor het volkenrecht moest wijken. Maar doe niet alsof dat niet is gebeurd. Dat is onwaarachtig en hypocriet.