Balkenende’s taboe

Als een substantieel deel van het parlement een onderzoek naar welk onderwerp dan ook wenst, zou het geen vraag moeten zijn of zo’n onderzoek wel wenselijk is. Het zou er dan gewoon moeten komen. Dat geldt dus ook voor een onderzoek naar de argumenten voor de politieke steun die Nederland in 2003 heeft gegeven aan de invasie van Irak, en de deugdelijkheid daarvan.Dit onderzoek komt er niet, omdat de politieke leiders van CDA, PvdA en ChristenUnie dat tijdens de formatiebesprekingen begin 2007 zo hebben afgesproken. Meer dan een afspraak tussen heren is dat  niet: in het regeerakkoord is er niets over te vinden. Maar het was genoeg om hun fracties in het gelid te zetten. Dualisme is nu eenmaal ver te zoeken als het om kennelijk gevoelige thema’s gaat.

Met name voor de PvdA is dat pijnlijk, omdat deze partij zich voor de verkiezingen van 2006 in  ferme bewoordingen voorstander heeft betoond van een parlementair onderzoek naar ‘Irak’. Niet in de laatste plaats bij monde van de huidige minister voor Ontwikkelingssamenwerking, Koenders, toen Tweede Kamerlid. Het was dan ook onvermijdelijk  dat toenmalig fractieleider Tichelaar in de Tweede Kamer, tijdens het debat over de regeringsverklaring,   moest toegeven dat zijn fractie was gezwicht en dat er sprake was van „een zwaar verlies”. Het afzien  van zo’n onderzoek hoort  inderdaad geen voorwaarde te zijn voor regeringsdeelname.
Ook partijleider Bos heeft zich nog niet neergelegd bij de afspraak waaraan hij zichzelf heeft gebonden. In  NRC Handelsblad zei hij onlangs: „Ik neem aan dat dit onderzoek weer gewoon in ons verkiezingsprogramma zal prijken.” En  dus ook weer onderwerp van gesprek zal zijn bij een kabinetsformatie waarbij de PvdA  betrokken is
In de Eerste Kamer roeren de PvdA  en andere fracties zich nu. Zij kregen eind vorige week  onbevredigende antwoorden van het kabinet op een omvangrijke serie vragen. De ondertekenaars, premier Balkenende (CDA), minister Verhagen (Buitenlandse Zaken, CDA) en minister Van Middelkoop (Defensie, ChristenUnie), hadden weinig meer te melden dan wat zij reeds bij herhaling aan de Tweede Kamer hebben laten weten. Inconsequentie kan hun dus niet worden verweten; wel dat zij niet in essentie op de kwestie ingaan.

Het moet toch de moeite waard zijn om te toetsen waarom diverse volkenrechtdeskundigen de juridische redenering van de  regering, waarmee zij haar steun aan de oorlog tracht te legitimeren, ondeugdelijk noemen. Of om van toenmalig minister Bot (Buitenlandse Zaken, CDA) in het parlement te horen waarom hij achteraf vraagtekens plaatst bij de inval.
Hoewel  er  geen parlementaire meerderheid is voor een onderzoek, ook niet als de PvdA ervoor zou durven stemmen, zal deze kwestie het kabinet blijven achtervolgen. Zolang met name  Balkenende koppig het onderzoek blokkeert – wat hij alleen maar kan omdat het parlement zich dat laat aanleunen – zolang zal, al dan niet terecht, de indruk beklijven dat hij inzake Irak iets te verbergen heeft.

Lees hier de antwoorden van het kabinet op de vragen van de Eerste Kamer over Irak