Archief voor: maart 2009


In de ban van Kim Il-sung

Afgelopen week maakte ik voor het aprilnummer en tevens de laatste uitgave van het  M-Magazine, een driedaagse reis door Noord-Korea.

Zeker nu Noord-Korea bekend heeft gemaakt dat het van plan is begin april een  experimentele communicatiesatelliet te lanceren die kan worden voorzien van een kernkop, kom je als journalist moeilijk binnen. Daarom sluit ik me als toerist aan bij een reisgezelschap in Peking.

Dertig jaar geleden was ik ook in Noord-Korea. Als zeventienjarig meisje speelde ik het meest bizarre wereldkampioenschap van mijn carrière. Het was 1979 en het decor was Pyongyang. Onder extremere omstandigheden is door mij nooit meer gespeeld.

Noord-Korea was een openbare gevangenis; op de binnenplaats werd het WK georganiseerd.  Wij westerse spelers waren de gevangenen, maar wij wilden niet gekooid worden en de  spanningen liepen hoog op. Niemand mocht zich buiten een straal van een kilometer rond het  hotel begeven. Althans niet zonder begeleiding door van de twee toegewezen gidsen.

Het was de eerste maal dat ik merkte hoezeer sport deel kan uitmaken van cultuur en politiek. De slotceremonie in Pyongyang was onvergetelijk. Op een immens plein, aan de rand van een immens meer, verzamelden zich duizenden mensen.

Bij hoge uitzondering werd de stalinistische atmosfeer vervangen door een feeërieke. Uit  luidsprekers galmde Koreaanse muziek. Verlichte speedboten trokken waterskiënde, in sluiers  gehulde vrouwen voort. Aan huizenhoge, draaiende totempalen, waaraan oneindig lange zijden  linten, wentelden Koreaanse schonen.

En op die indrukwekkende deining van onbekende rituelen bewogen ontelbare kinderen mee. Een exotische en tegelijk beangstigende massaliteit.

Aals ik nu aankom op het vliegveld van Pyongyang staan er een stuk of tien Tupolevs, oude Russische vliegtuigen die niet meer welkom zijn boven Europees luchtruim maar die volgens de statistieken nog nooit zijn neergestort. Twee oude krakende bagagebanden staan in open verbinding met de douane en een piepkleine aankomsthal.

Als ik in het Chinees zeg dat ik mijn computer en mobiele telefoons volgens de Noord-Koreaanse voorschriften heb thuisgelaten, lacht de in het blauw geklede douanebeambte: “Ah China. Loop dan maar door.”

De gidsen Lee en Park, die ik krijg toegewezen, wachten buiten. Lee is een 28-jarige meisje met sproeten. Ze draagt een grijze tweedjas en om langer te lijken loopt ze op ouderwetse platte plateauzolen. Park is een lange 29-jarige jongen met een pokdalig en hoekig gezicht. Hij draagt een brilletje met getinte glazen dat past bij zijn donkerbruine kostuum.

Ze brengen me naar mijn hotel, een meer dan vijftig verdiepingen tellende kale toren waarvan het gammele interieur Russisch aandoet. Het telt meer dan 500 kamers maar er zijn slechts enkele tientallen gasten, onder wie een aantal zakenlieden die permanent in het hotel verblijven. Vanuit mijn kamer kijk ik uit over de Taedong, een 450 kilometer lange smerige rivier die dwars door de stad stroomt. Het hotel ligt letterlijk en figuurlijk op een eiland.

Vanuit het hotel zie ik dat er maar weinig verkeer rijdt op de wegen van Pyongyang. Ik begrijp van een Engelse reisgenoot  dat de Noord-Koreanen de dure Russische olie waaruit benzine wordt geraffineerd, niet kunnen betalen.

Elektriciteit is voor de meeste Koreanen overigens ook onbetaalbaar want ’s avonds zijn de huizen niet of schaars verlicht, laat staan dat er neonlichten branden.

Als toerist mag ik het hotel niet verlaten. Mijn gidsen slapen in hetzelfde hotel en als ik naar beneden loop, zie ik dat ze de wacht houden in de lobby.

Onder hun permanente begeleiding mag ik bezoeken afleggen aan oorlogsmusea, stalinistische standbeelden, de gedemilitariseerde zone aan de grens met Zuid-Korea en het mausoleum van Kim Il-Sung. Daarbij zijn bloemen kopen en de kowtow maken verplicht. Nooit alleen de benen of het hoofd van Kim fotograferen. Foto’s schieten van soldaten en burgers is volgens de strikte overheidsvoorschriften ook verboden.

Op de weg naar het Kim Il-Sung monument rijden we langs de Arc de Triomphe, een  monument dat de overwinning op de Japanners in 1945 moet symboliseren.

Het monument is een meer dan twintig meter hoog bronzen standbeeld van Kim dat  uitkijkt over een vallei naar een stalinistisch beeld in de verte van hamer, sikkel en  penseel, het symbool van de Noord-Koreaanse Arbeiderspartij, dat midden op een  plein staat en hoog boven de huizen uitsteekt. Kim wordt geflankeerd door heldhaftige  soldaten en arbeiders die in brons strijden voor een wapperende vlag.

Sinds de jaren tachtig zijn er een paar nieuwe straten en gebouwen bijgebouwd, onder meer een prestigieuze piramidevormig hotel dat door betonmoeheid en financiële problemen al jaren in de steigers staat. Maar verder zijn de huizen nog bouwvalliger en vervelozer dan dertig jaar geleden toen Noord-Korea in ieder geval op steun van zijn socialistische broeders kon rekenen.

Vlakbij het standbeeld van Kim, een van de meer dan 800 exemplaren in Noord-Korea,  staat het Chollima-monument, een standbeeld van een legendarisch vliegend paard  dat meer dan 400 kilometer per dag  kon afleggen. Het standbeeld staat symbool  voor het eerste Vijfjarenplan dat in 1957 werd gelanceerd en dat met ongeëvenaarde ‘  ’Chollima snelheid’ werd toegepast.

“Het moest de basis leggen voor het socialistische systeem zoals onze leider Kim Il-sung dat eind jaren veertig had geïntroduceerd,” licht Lee toe. “Ons land had  veel schade opgelopen tijdens de Tweede Wereldoorlog. Er was geen geld, er waren geen grondstoffen en de levensstandaard was erg laag. Maar vanaf dat moment ging het veel beter.”

We rijden vanaf het Chollima monument richting het revolutionaire monument voor oorlogsmartelaren. Op de top van de berg Taesong staan tientallen bronzen beelden van soldaten die vochten tegen de Japanners.

Vooraan op een podium staat een borstbeeld van Kim’s vrouw Kim Jong-suk die in 1931 overleed in haar kraambed. Honderden plattelandskinderen leggen in legeruniform bloemen bij het beeld van Kim Jong-suk.

Lee zegt dat ik verplicht ben ook een bloemetje te leggen. Bij een stalletje moet ik drie euro neertellen voor een bosje Kim Il-Sungia’s, een speciale rode orchidee die is vernoemd naar de in 1994 gestorven ‘eeuwige president’.

Dat Kim hertrouwde in 1952 en nog drie kinderen kreeg, weet gids Lee niet. “Wij praten niet over het privéleven van onze leider.” Overigens hebben mijn begeleiders ook nog nooit gehoord van Harry Potter, Monica Lewinsky, Barbi, of Mc Donalds, om maar eens wat westerse begrippen te noemen.

Door de bergen rijden we naar de grens bij Panmunjeom bij de stad Kaesong. In 1953  eindigde hier de oorlog tussen de beide Korea’s met een wapenstilstand op de 38ste  breedtegraad. Kaesong ligt twee uur van de hoofdstad. Als we door het dorre  heuvellandschap rijden, zie ik groepen boeren met paard en wagen door het land  trekken.

Tractoren of auto’s zijn nergens te bekennen alleen maar lange stoeten lopende en fietsende boeren en marcherende soldaten. Op weg naar de grenspost passeren we wegblokkades waar piepjonge soldaten ons identificatiebewijs controleren.

Bij de ingang van de gedemilitariseerde zone, die bestaat uit twee dikke betonnen muren, staat een militair die in een naar plastic stinkende ruimte aan de hand van een maquette vriendelijk uitleg geeft over de grenssituatie. Dan stapt hij in onze auto en rijden we tussen de twee betonnen muren die zijn voorzien van prikkeldraad, langs wegversperringen en tankgrachten naar de gedemilitariseerde zone. In deze zone, die aan weerszijde van de grens een strook van twee kilometer bestrijkt, werken boeren op een met prikkeldraad afgezet stuk land.

Op het tweede deel, nog steeds Noord-Koreaans grondgebied, staan houten barakken waar in 1953 de wapenstilstand werd gesloten tussen Noord-Korea en de Verenigde Naties. De ruimte is geheel in tact gebleven en doet nu dienst als museum. De commandant loopt naar twee tafels die bekleed zijn met groen vilt.

Op de ene staat de Noord-Koreaanse vlag en op de ander die van de VN, die namens de Verenigde Staten de Vrede tekenden. Volgens de commandant gaven de VS daarmee hun nederlaag toe.

Hij legt uit dat de wapenstilstand nog steeds van kracht is en dat de beide Korea’s formeel nog steeds met elkaar in oorlog zijn. De commandant benadrukt nog eens dat de Amerikanen imperialisten en agressors zijn die de oorlog zijn begonnen.

Dan rijden we langs de ‘Gemeenschappelijke Veiligheidszone’ waar op een betonnen grensstrook een aantal blauwe en zilverkleurige barakken staan. Aan de kant van Zuid-Korea zie ik Amerikaanse soldaten lopen. Op een modern grijs gebouw staan tientallen camera’s en westelijk en oostelijk van de demarcatielijn wapperen de Noord-Koreaanse en Zuid-Koreaanse vlag.

De commandant vertelt trots dat Kim Jong-Il vier maal een bezoek bracht aan de  Panmunjeom. “We hopen nog altijd dat Kim tijdens zijn leven de vrede zal tekenen.  Reunificatie is de wens van elke oprechte Koreaan. We zijn en blijven één volk,” zegt  hij.

Josef Rock museum in Yuhu

 Lijiang is de parel van de provincie Yunnan. Elke zomer trekken horden toeristen naar  het stadje dat  bekend staat om zijn prachtige natuur en oude dorpskern.

 Smeltwater klettert vanaf de bergen door smalle stenen geulen langs de traditionele    huizen met stenen daken die aan het uiteinde de vorm van een drakenkop aannemen. Varkens en honden struinen over de keien. Kooplieden sjouwen met groenten in rieten manden en Naxi-vrouwen, een minderheid in west-China, zitten in klederdracht voor hun huizen. Ze dragen een  plat  hoofddeksel boven  een donkerblauwe overgooier waarover een wit schort dat met twee kleurige gekruiste linten aan de achterkant is vastgeknoopt.

Niet ver van Lijiang, aan de voet van de Jadedrakensneeuwberg, ligt het dorpje Yuhu. Het is beroemd geworden vanwege de bekende botanicus Josef Rock die er van 1922 tot 1949  leefde. 

Rock overtuigde het Amerikaanse ministerie  van landbouw en de Universiteit van Harvard van het belang van onderzoek naar de medicinale werking van planten, en vertrok in 1922 op hun kosten naar het diepe westen van China.

 Rock was de  zoon van een dominante Oostenrijks-Amerikaanse vader die er op stond  dat Rock naar een seminarie zou gaan. Onder de strenge invloed van zijn vader  ontwikkelde Rock een voorliefde voor China.

 Al op jonge leeftijd beschikte hij over autodidactische gaven. Hij leerde zichzelf acht talen waaronder Sanskriet en Chinees.

Hij werd  beroemd door zijn werk als  correspondent voor de National Geographic in China  en  verzamelde meer dan 80.000 plantensoorten.

Op wonderbaarlijke wijze wist hij in de jaren twintig de eerste kleurenfoto’s  van planten te maken, maar helaas ging een groot deel van zijn collectie verloren toen een vrachtboot in de Arabische territoriale wateren werd getorpedeerd.

Rock  raakte onder de indruk van de Naxi-cultuur. Gemotiveerd door de vrees  dat de cultuur onder invloed van de Han-Chinezen zou worden uitgeroeid, werkte hij jarenlang aan een Naxi-woordenboek.  Naxi bestaat net als de taal  van de oude Egyptenaren uit hiërogliefen.

Rock leidde een even primitief als luxe leven want hoewel hij in een eenvoudige berghut woonde, had hij een heel gevolg aan personeel, bewakers en koks. Ook placht hij te eten van een gouden servies en nam hij  regelmatig luxe medicinale bubbelbaden.

Vlak voor de start culturele revolutie moest Rock vluchten voor de Rode Garde. Hij werd met een Amerikaans staatsvliegtuigje, dat landde in  Lijiang, opgehaald en liet zijn hut en persoonlijke spullen achter in Yuhu.

 Omdat zijn voormalige dorpsgenoten erg op hem waren gesteld,  koesterden zij de  nalatenschap van Rock en later werd zijn huis omgetoverd tot museum. ‘Exibithion Hall  of  former residence of dr Rock’ staat met rode verf op een gestuukte muur bij de  ingang.

 

Het huis is  in de originele staat gelaten. Een oude tandeloze  dorpeling beheert het museum. Hij vraagt twee euro entreegeld, scheurt een kaartje af en zegt vol trots dat hij Rock nog heeft gekend. In het houten huis dat uitkomt op een binnentuin, staan foto’s  van Rock’s excursies en zijn oude huisraad en gebruiksvoorwerpen zijn tentoongesteld. 

Boven in een stoffige ruimte met een gammele houten vloer staan zijn bed en zijn werktafel. Daarboven hangt een prachtige vergeelde boeddhistische mandala.

In vitrinekasten liggen zijn koffers, kleding oude uitgaven van de National Geographic en zijn boeken waaronder ‘Het oude koninkrijk van de Nax’s in Zuid-West China’ dat vlak voor zijn dood werd gepubliceerd.

De Engelse journalist Bruce Chatwin, schrijver van boeken als ‘In Patagonië’ en de ‘Onderkoning van Ouida’ schreef in 1986 in de New York Times een artikel over de botanicus getiteld: ’The little known kingdom of dr Rock’. Chatwin logeerde in 1986 twee weken  bij kruidendokter Ho (86) in het nabijgelegen dorpje Baisha.

Ho’s vader  was goed bevriend met Rock en als kind kwam hij bij hem over de vloer. Rock bracht  de kleine Ho de liefde voor planten bij.

 Tijdens de culturele revolutie van voorzitter Mao in de jaren zestig werd Ho bestempeld  tot antirevolutionair en zat hij deels in de gevangenis,  deels verstopte hij zich in de  bergen. Daar verdiepte  zijn liefde voor planten en kruiden en  verrijkte hij zijn kennis.

 

Een jaar na de publicatie van Chatwin’s artikel was er geen reisgids die de naam van Ho niet vermeldde. De door Chatwin’s artikel bekend geworden ‘Taoïstische  kruidenarts van de Jade drakensneeuwberg’ beweert  tot op de dag van vandaag  dat hij met zijn  kruiden en theorieën de basis heeft gelegd voor de Mayo-therapie, waarmee hij  al tientallen kankerpatiënten met succes zou  hebben behandeld

“Vogelnest” toeristische attractie

Lars van den Brink  

 

foto:Lars van den Brink

Citic-groep, de beheerder van  “Het Vogelnest”,had grootse plannen met het Olympisch stadion in  Peking. Voor aanvang van de Spelen werd tijdens persconferenties verkondigd dat binnen drie jaar een commercieel winkelcentrum  inclusief een draaiend restaurant in de catacomben van het stadion zou worden gerealiseerd.

Ook zouden er regelmatig sportwedstrijden en  popconcerten worden gehouden. Met deze activiteiten hoopte het stadion jaarlijks een bedrag van 20 miljoen euro te kunnen binnenhalen. Dat bedrag is hard nodig voor de onderhoudskosten die worden geschat op  zes miljoen euro per jaar.

Lars van den Brink

foto:Lars van den Brink

Of de bouw van het commerciële centrum daadwerkelijk gerealiseerd wordt, is nog onduidelijk. Wel is zeker dat  onderhandelingen met de voetbalclub Guo’an stuk liepen op een te hoge huurprijs. De beheerders blijven onverminderd optimistisch; men hoopt nog altijd de finale van de Italiaanse Supercup naar Peking te krijgen en op 8 augustus 2009, precies een jaar na  de feeërieke openingsceremonie, zal het nationale stadion van China het toneel zijn van ‘Turandot’, een opera van Puccini.

De regie is in handen van artistiek directeur Zhang Yimou die ook de openingsceremonie regisseerde. Maar dat is dan ook het enige evenement dat  zeker doorgaat.

 

Lars van den Brink

foto:Lars van den Brink

De openingsceremonie was de meest spectaculaire ooit waarbij de ouverture met de 2008 Chinese verlichte pauken  mij kippenvel bezorgde.

 

In de winterkou ligt de ‘Olympic green’ er nu somber en verlaten bij. Het metalen vlechtwerk  begint zijn glans al te verliezen en  hier en daar  begint de verf  af te  bladderen.

Op het terrein staat een reuzenrad en enkele andere kermisattracties die daar speciaal voor de viering van het Chinese Nieuwjaar werden opgebouwd. Het is een doodgewone  waterkoude maandagochtend. Enkele tientallen bezoekers melden zich bij de poorten van het stadion dat sinds de Spelen dienst doet als Olympisch museum. 

Onderwijzer Lan Guoqi, een forse vijftiger met een rond bebrild gezicht en bruine tanden, is uit de westelijke provincie Qinghai gekomen om het Olympisch stadion  van binnen te zien.

foto B.Vriesekoop

foto B.Vriesekoop

“Afgelopen zomer kon ik niet aan kaartjes komen. De Spelen heb ik via de televisie gevolgd. Omdat ik deze week in Peking ben voor een onderwijsseminar, heb ik de kans om toch een kijkje te nemen. Het is een prachtig staaltje architectuur waar elke Chinees  trots op is.”

Meneer Lan loopt de trappen af op weg naar het middenveld van het stadion en maakt een  V-teken als hij op de foto gaat met een  tweemanshoge Fuwa, de Olympische mascotte. Vervolgens  begeeft hij zich in het kielzog van  andere toeristen naar de  Olympische souvenirwinkel waar tassen, pennen, paraplu’s en gouden replica’s van het Vogelnest voor de  forse prijs van 500 euro te koop liggen.

In de souvenirwinkel tref ik een buitenlander;Bob Anderson uit Australië. Hij is directeur van een jongenskostschool in Australië en net als meneer Lan in Peking voor het onderwijsseminar. “Ik ben erg onder de indruk alleen vind ik de entreeprijs nogal  aan de hoge kant.”

Anderson was ook al in de ‘Watercube’, het stadion waar de Amerikaan Michael Phelps naar acht gouden medailles zwom en dat binnenkort zal worden veranderd in een waterpretpark. “ Vreemd dat  bezoekers voor beide stadions vijf euro moeten betalen.

 

Lars van den Brink

foto:Lars van den Brink

Tien euro is voor de meeste Chinezen toch een hoop geld,” vindt Anderson. Meneer Lan is het daar mee eens maar denkt dat Chinezen toch bereid zijn dat bedrag neer  te tellen.

Lan weet niets van geldzorgen van de beheerders  van het stadion of over de opgeschorte  bouw van een winkelcentrum. Hij is ook niet geïnteresseerd  in popconcerten of sportevenementen. “Ach winkelcentra zijn er al zoveel in Peking. Je snapt niet hoe ze kunnen blijven draaien. Er komt nooit een klant.”

Dat de  belangstelling zal afnemen gaat er bij Lan niet in. “China is een groot land met zoals u weet meer dan een miljard inwoners. De Spelen zijn voorbij maar  de Olympische droom moet voor de meeste Chinezen nog in vervulling gaan. ”