In de ban van Kim Il-sung
Afgelopen week maakte ik voor het aprilnummer en tevens de laatste uitgave van het M-Magazine, een driedaagse reis door Noord-Korea.
Zeker nu Noord-Korea bekend heeft gemaakt dat het van plan is begin april een experimentele communicatiesatelliet te lanceren die kan worden voorzien van een kernkop, kom je als journalist moeilijk binnen. Daarom sluit ik me als toerist aan bij een reisgezelschap in Peking.
Dertig jaar geleden was ik ook in Noord-Korea. Als zeventienjarig meisje speelde ik het meest bizarre wereldkampioenschap van mijn carrière. Het was 1979 en het decor was Pyongyang. Onder extremere omstandigheden is door mij nooit meer gespeeld.
Noord-Korea was een openbare gevangenis; op de binnenplaats werd het WK georganiseerd. Wij westerse spelers waren de gevangenen, maar wij wilden niet gekooid worden en de spanningen liepen hoog op. Niemand mocht zich buiten een straal van een kilometer rond het hotel begeven. Althans niet zonder begeleiding door van de twee toegewezen gidsen.
Het was de eerste maal dat ik merkte hoezeer sport deel kan uitmaken van cultuur en politiek. De slotceremonie in Pyongyang was onvergetelijk. Op een immens plein, aan de rand van een immens meer, verzamelden zich duizenden mensen.
Bij hoge uitzondering werd de stalinistische atmosfeer vervangen door een feeërieke. Uit luidsprekers galmde Koreaanse muziek. Verlichte speedboten trokken waterskiënde, in sluiers gehulde vrouwen voort. Aan huizenhoge, draaiende totempalen, waaraan oneindig lange zijden linten, wentelden Koreaanse schonen. 
En op die indrukwekkende deining van onbekende rituelen bewogen ontelbare kinderen mee. Een exotische en tegelijk beangstigende massaliteit.
Aals ik nu aankom op het vliegveld van Pyongyang staan er een stuk of tien Tupolevs, oude Russische vliegtuigen die niet meer welkom zijn boven Europees luchtruim maar die volgens de statistieken nog nooit zijn neergestort. Twee oude krakende bagagebanden staan in open verbinding met de douane en een piepkleine aankomsthal.
Als ik in het Chinees zeg dat ik mijn computer en mobiele telefoons volgens de Noord-Koreaanse voorschriften heb thuisgelaten, lacht de in het blauw geklede douanebeambte: “Ah China. Loop dan maar door.”
De gidsen Lee en Park, die ik krijg toegewezen, wachten buiten. Lee is een 28-jarige meisje met sproeten. Ze draagt een grijze tweedjas en om langer te lijken loopt ze op ouderwetse platte plateauzolen. Park is een lange 29-jarige jongen met een pokdalig en hoekig gezicht. Hij draagt een brilletje met getinte glazen dat past bij zijn donkerbruine kostuum.
Ze brengen me naar mijn hotel, een meer dan vijftig verdiepingen tellende kale toren waarvan het gammele interieur Russisch aandoet. Het telt meer dan 500 kamers maar er zijn slechts enkele tientallen gasten, onder wie een aantal zakenlieden die permanent in het hotel verblijven. Vanuit mijn kamer kijk ik uit over de Taedong, een 450 kilometer lange smerige rivier die dwars door de stad stroomt. Het hotel ligt letterlijk en figuurlijk op een eiland.
Vanuit het hotel zie ik dat er maar weinig verkeer rijdt op de wegen van Pyongyang. Ik begrijp van een Engelse reisgenoot dat de Noord-Koreanen de dure Russische olie waaruit benzine wordt geraffineerd, niet kunnen betalen. 
Elektriciteit is voor de meeste Koreanen overigens ook onbetaalbaar want ’s avonds zijn de huizen niet of schaars verlicht, laat staan dat er neonlichten branden.
Als toerist mag ik het hotel niet verlaten. Mijn gidsen slapen in hetzelfde hotel en als ik naar beneden loop, zie ik dat ze de wacht houden in de lobby.
Onder hun permanente begeleiding mag ik bezoeken afleggen aan oorlogsmusea, stalinistische standbeelden, de gedemilitariseerde zone aan de grens met Zuid-Korea en het mausoleum van Kim Il-Sung. Daarbij zijn bloemen kopen en de kowtow maken verplicht. Nooit alleen de benen of het hoofd van Kim fotograferen. Foto’s schieten van soldaten en burgers is volgens de strikte overheidsvoorschriften ook verboden.
Op de weg naar het Kim Il-Sung monument rijden we langs de Arc de Triomphe, een monument dat de overwinning op de Japanners in 1945 moet symboliseren. 
Het monument is een meer dan twintig meter hoog bronzen standbeeld van Kim dat uitkijkt over een vallei naar een stalinistisch beeld in de verte van hamer, sikkel en penseel, het symbool van de Noord-Koreaanse Arbeiderspartij, dat midden op een plein staat en hoog boven de huizen uitsteekt. Kim wordt geflankeerd door heldhaftige soldaten en arbeiders die in brons strijden voor een wapperende vlag.
Sinds de jaren tachtig zijn er een paar nieuwe straten en gebouwen bijgebouwd, onder meer een prestigieuze piramidevormig hotel dat door betonmoeheid en financiële problemen al jaren in de steigers staat. Maar verder zijn de huizen nog bouwvalliger en vervelozer dan dertig jaar geleden toen Noord-Korea in ieder geval op steun van zijn socialistische broeders kon rekenen.
Vlakbij het standbeeld van Kim, een van de meer dan 800 exemplaren in Noord-Korea, staat het Chollima-monument, een standbeeld van een legendarisch vliegend paard dat meer dan 400 kilometer per dag kon afleggen. Het standbeeld staat symbool voor het eerste Vijfjarenplan dat in 1957 werd gelanceerd en dat met ongeëvenaarde ‘ ’Chollima snelheid’ werd toegepast.
“Het moest de basis leggen voor het socialistische systeem zoals onze leider Kim Il-sung dat eind jaren veertig had geïntroduceerd,” licht Lee toe. “Ons land had veel schade opgelopen tijdens de Tweede Wereldoorlog. Er was geen geld, er waren geen grondstoffen en de levensstandaard was erg laag. Maar vanaf dat moment ging het veel beter.”
We rijden vanaf het Chollima monument richting het revolutionaire monument voor oorlogsmartelaren. Op de top van de berg Taesong staan tientallen bronzen beelden van soldaten die vochten tegen de Japanners. 
Vooraan op een podium staat een borstbeeld van Kim’s vrouw Kim Jong-suk die in 1931 overleed in haar kraambed. Honderden plattelandskinderen leggen in legeruniform bloemen bij het beeld van Kim Jong-suk.
Lee zegt dat ik verplicht ben ook een bloemetje te leggen. Bij een stalletje moet ik drie euro neertellen voor een bosje Kim Il-Sungia’s, een speciale rode orchidee die is vernoemd naar de in 1994 gestorven ‘eeuwige president’.
Dat Kim hertrouwde in 1952 en nog drie kinderen kreeg, weet gids Lee niet. “Wij praten niet over het privéleven van onze leider.” Overigens hebben mijn begeleiders ook nog nooit gehoord van Harry Potter, Monica Lewinsky, Barbi, of Mc Donalds, om maar eens wat westerse begrippen te noemen.
Door de bergen rijden we naar de grens bij Panmunjeom bij de stad Kaesong. In 1953 eindigde hier de oorlog tussen de beide Korea’s met een wapenstilstand op de 38ste breedtegraad. Kaesong ligt twee uur van de hoofdstad. Als we door het dorre heuvellandschap rijden, zie ik groepen boeren met paard en wagen door het land trekken.
Tractoren of auto’s zijn nergens te bekennen alleen maar lange stoeten lopende en fietsende boeren en marcherende soldaten. Op weg naar de grenspost passeren we wegblokkades waar piepjonge soldaten ons identificatiebewijs controleren.
Bij de ingang van de gedemilitariseerde zone, die bestaat uit twee dikke betonnen muren, staat een militair die in een naar plastic stinkende ruimte aan de hand van een maquette vriendelijk uitleg geeft over de grenssituatie. Dan stapt hij in onze auto en rijden we tussen de twee betonnen muren die zijn voorzien van prikkeldraad, langs wegversperringen en tankgrachten naar de gedemilitariseerde zone. In deze zone, die aan weerszijde van de grens een strook van twee kilometer bestrijkt, werken boeren op een met prikkeldraad afgezet stuk land.
Op het tweede deel, nog steeds Noord-Koreaans grondgebied, staan houten barakken waar in 1953 de wapenstilstand werd gesloten tussen Noord-Korea en de Verenigde Naties. De ruimte is geheel in tact gebleven en doet nu dienst als museum. De commandant loopt naar twee tafels die bekleed zijn met groen vilt. 
Op de ene staat de Noord-Koreaanse vlag en op de ander die van de VN, die namens de Verenigde Staten de Vrede tekenden. Volgens de commandant gaven de VS daarmee hun nederlaag toe.
Hij legt uit dat de wapenstilstand nog steeds van kracht is en dat de beide Korea’s formeel nog steeds met elkaar in oorlog zijn. De commandant benadrukt nog eens dat de Amerikanen imperialisten en agressors zijn die de oorlog zijn begonnen.
Dan rijden we langs de ‘Gemeenschappelijke Veiligheidszone’ waar op een betonnen grensstrook een aantal blauwe en zilverkleurige barakken staan. Aan de kant van Zuid-Korea zie ik Amerikaanse soldaten lopen. Op een modern grijs gebouw staan tientallen camera’s en westelijk en oostelijk van de demarcatielijn wapperen de Noord-Koreaanse en Zuid-Koreaanse vlag.
De commandant vertelt trots dat Kim Jong-Il vier maal een bezoek bracht aan de Panmunjeom. “We hopen nog altijd dat Kim tijdens zijn leven de vrede zal tekenen. Reunificatie is de wens van elke oprechte Koreaan. We zijn en blijven één volk,” zegt hij.













Abonneer je