Archief voor: februari 2009


Bouwvakkers protesteren op straat

Dagelijks  lees ik in de  Chinese  media over massaontslagen en over arbeiders die hun loon  niet krijgen uitbetaald. Vandaag  kon ik bij mij om de hoek meemaken hoe dat in werkelijkheid  gaat.

Toen ik vanochtend mijn compound uitliep en in de taxi wilde stappen  op weg naar een  afspraak, zag ik enkele tientallen mannen en vrouwen aan  de overkant van de straat. Ze hadden zich verzameld  bij de ingang van een parkeerplaats naast  een nieuw kantoorpand   dat ik in het afgelopen jaar had zien bouwen.

Een paar vrouwen droegen borden om hun nek met Chinese leuzen. Het ging duidelijk om een protestactie. Er stond een auto van de gemeentepolitie op de stoep, kennelijk om de orde te bewaren.

Het bleek te gaan om een protestactie van bouwvakkers  die aan het kantoorpand hadden gewerkt in opdracht van de eigenaar, een  vastgoedhandelaar die sinds kort  in het pand kantoor houdt.

Alle bouwvakkers zijn migrantenarbeiders uit de zuidelijke provincie Hubei. Hun woordvoerder Xiao Benkuan, gekleed in een leren jasje, legde uit   dat meer dan honderd man al een half jaar geen salaris en onkostenvergoeding hebben ontvangen.

“Ons maandloon was 30 euro plus nog eens 40 euro voor kost en inwoning. Maar de directie  heeft de betaling van ons loon steeds opgeschort. Nu het kantoor af is, laten ze ons barsten.  We zijn allemaal in Hubei geronseld om in Peking dit kantoor te bouwen. Tijdens de Olympische  Spelen moesten we de stad uit. We konden  in september  terugkomen om het werk af te maken. Maar  we hebben sindsdien  geen cent meer gekregen.”

De bouwvakkers uit Hubei wonen tijdelijk in het district  Tongzhou op een uur rijden aan de rand van Peking op een uur rijden van mijn compound.

“We hebben  huurachterstand en  geen geld om eten te kopen. Normaal is dat wij geld naar huis sturen maar nu moet onze familie geld naar ons sturen.”

Xiao Benkuan en de andere bouwvakkers willen het er niet bij laten zitten maar ze krijgen geen  steun van het gemeentebestuur van Peking. ”We worden in de stad gedoogd maar hebben  geen verblijfsvergunning en zijn dus in feite illegaal. We hebben met de eigenaar ook geen contract getekend voor de bouw van dit kantoor. We waren al blij dat we werk hadden en weten niets van juridische procedures.”

Vijf minuten  later schuift het elektrische hek voor de parkeerplaats van  het kantoorgebouw langzaam open. Een glanzend groene Rover MG rijdt langzaam de poort uit en draait de weg op. Uit de politieauto op de stoep stappen  twee politieagenten die de joelende en fluitende mannen en vrouwen manen  opzij te gaan.

“Dat is de vrouw van de manager. Hoe kan je je vrouw in zo’ n dure auto laten rijden als je tegen je werknemers zegt dat je geen geld hebt om ze uit te  betalen,”zegt Xiao Benkuan.

Als ik s’middags thuis kom, staat de groep nog steeds voor de parkeerplaats. Woordvoerder Xiao Benkuan drukt  een petitie in mijn hand en vraagt of ik iets voor hem kan doen. Ik vraag me af waarom de lokale media, een televisiestation bijvoorbeeld, nooit ter plekke zijn om verslag te doen van dergelijke incidenten.

Op de staatstelevisie CCTV kun je wel met regelmaat zien dat burgers de alarmklok luiden over milieuvervuilende industrie. Ik ben er bijna zeker van  dat zulk activisme zorgvuldig  geregisseerd is. Sociaal bewustzijn en een  vrije pers zijn nu eenmaal nog ver te zoeken in China.

Op weg naar Tongren

 

We gaan op weg naar Tongren een klein stadje in het zuidoosten van Qinghai op de grens met de provincie Gansu. De wegen zijn  geasfalteerd maar er zijn geen vangrails in de haarspeldbochten; we kunnen permanent honderden meters naar beneden kijken  waar de Gele Rivier meandert. Omdat het hard waait krijgen we te maken met steenslag en hier en daar moet ons busje opzij voor  grote brokken lijsteen die midden op de weg liggen.

Onderweg passeren we Hui-moslimdorpjes. Niet ver van Tongren zien  we een enorme Tibetaanse muurschildering op de rotsen van wel vijftig meter hoog; het teken dat we in Tibetaans gebied zijn  aangekomen.

De kloosters in de bergen van Tongren (Longwusi en Wutunsi), waar vorig jaar maart meer dan tweehonderd monikken werden opgepakt, zijn betoverend.Op de top van  een heuvel ligt het Longwusi, acht kloostertempels met daken die als gouden tongen  schitteren in de winterzon. Aan de punten van de daken hangen vergulde bellen die  zachtjes wiegen op de wind en waarvan het geluid van de bergen kaatst. Het geeft me een gevoel van rust zoals ik verwacht van een bezoek aan Tibet.

 Ook hier geen toerist, politie of soldaat te bekennen. Wel een paar  onberispelijk  in pak  en stropdas geklede Chinezen die leunen op de open portieren  van hun zwarte VW’s  voor de poort van het klooster en ergens op lijken te wachten.

 Later verneem ik uit verschillende bronnen dat er al enige tijd soldaten zijn gelegerd in de bergen rond Tongren. Vanuit mijn hotelkamer in het centrum van het stadje heb ik uitzicht op een klein atletiekstadion. s’Ochtends vroeg zie ik een colonne soldaten met schilden de baan op marcheren.

Ze krijgen commando’s die ze naschreeuwen en voeren  kungfu-oefeningen uit. “Dat doen ze hier iedere dag. We zijn er al aan gewend,” lacht de eigenaar van het China Telecom hotel.

Afgaand op de persbureau’s zou  Xiahe, een dorp op anderhalfuur rijden van Tongren,  voor buitenlanders  verboden gebied zijn. In het voor Tibet zo belangrijke Labrangklooster  werden vorig jaar eveneens  rond de tweehonderd monniken  opgepakt. Daarom stuur ik mijn Chinese assistent vooruit. Hij komt op weg naar Xiahe een wegversperring  tegen maar kan als Chinees ongehinderd passeren.

In Tongren ontmoet ik een Australische toerist maar in Xiahe is volgens mijn assistent geen westerling  te bekennen; alle reisbureau’s hebben de opdracht gekregen  geen excursies met buitenlandse toeristen naar Xiahe  te maken.

 

  Een monnik in Wutunsi op zes kilometer afstand van Tongren, een klooster dat vooral bekend     is om zijn mandala en thangkaschilders, verwacht dat de stille respressie in verband met de       gevoelige data in maart voorlopig nog  zal aanhouden. “We kunnen geen kant op.”

 

 

Leven op het Tibetaanse Plateau

 


Xining is de hoofdstad van de provincie  Qinghai in de Tibetaanse grensstreek. Het ligt op het Tibetaanse plateau op 2000 meter boven zeeniveau.

Met zijn 1,9 miljoen inwoners is Xining een doorsnee provinciestad. Toch heeft het een lange historie. Het ontstond in de  zestiende  eeuw als militair steunpunt van de Chinese keizers en het ontwikkelde zich als een  belangrijke handelspost.

Aan de overkant van mijn hotel staat een enorme winkel die nog het meest doet denken aan een drogisterij waar je thee en allerlei gedroogde kruiden kunt kopen. Maar ook als snoepjes verpakt gedroogd yakvlees en yakschedels die kunstig zijn bewerkt.

Zulke schedels zie je terug als ornament op stallen en boerderijen op het platteland. We zien ze ook op weg naar het Qinghaimeer,3600 meter hoog en op anderhalf uur rijden buiten de stad.

De weg gaat over een deel van het uitgestrekte Tibetaanse plateau omzoomd door stoffige heuvels en bergen. Een ijskoude, snijdende wind waait enorme stofwolken op waardoor alles en iedereen de kleur krijgt van het terracottaleger uit Xian.

 Een kudde langharige geiten en yaks met een Tibetaanse herder, zijn hoofd  gewikkeld in een  dikke sjaal, steekt de weg over. Dit moet een van de meest barre plekken op  de wereld  zijn om te wonen. Het Qinghaimeer is het grootste zoutmeer ter wereld. Als we  aankomen zien we één grote groezelige  verstofte ijsvlakte. Ik vraag me af hoe  mensen  zulke barre winters en ongetwijfeld snikhete zomers overleven. 

Op de terugweg kan ik het vragen als we de weg afrijden in de richting van een boerderij aan de rand van het meer. Afgaand op de veelkleurige zijden wimpels die aan lange palen als vlaggen op het erf wapperen, moet er een Tibetaanse familie wonen.

Als we wat bedremmeld binnenkomen zien we tot onze  verrassing een stuk of acht in bordeauxrode pijen gehulde monniken in een zijvertrek zingend hun gebeden opzeggen.

 In de boerderij woont een  familie van achttien  mensen. Ze hebben geiten, schapen en een paar yaks. Er is een rechthoekige uit baksteen opgetrokken kraal voor hun vee. De bodem is enkelhoog bedekt met stront en keutels waarmee de kachel wordt gestookt en sommige muren van het huis zijn afgepleisterd.

Op een van de muren zijn de huiden van drie jonge geitjes geplakt om te drogen. 

Op het erf staat  ook een bolvormige boeddhistische oven  die altijd brandt op yakboter en geurige takken. Er stijgt rook uit op met een geur die je ook in alle tempels ruikt.

 

 Een van de monniken is een zoon van de boer. Boven het huisaltaar  in het hoofdvertrek  hangt een foto van de Daila Lama.“Soms krijgen we  bezoek van de politie uit de stad;  dan halen we het weg. We zien bezoek van ver aankomen,” lacht hij.

Toeristen blijven weg in Kumbum

De internationale persbureau’s berichtten deze week dat de meeste Tibetaanse kloosters in  de provincies Yunnan, Qinghai,en Gansu  voor buitenlanders verboden gebied zijn.

Het is  bijna een jaar geleden dat jonge monniken in Lhasa de straat op gingen en winkels en huizen van Moslims en Han-Chinezen in de brand staken. De onlusten sloegen over naar de kloosters in de omliggende provincies.

China herdenkt op 28 maart dat het vijftig jaar geleden Tibet heeft bevrijd van een eeuwenoud feodale heerschappij. De Tibetanen ervaren het invoeren  van een officiele  feestdag ter herinnering aan een voor hun pijnlijk moment in de geschiedenis als  uiterst provocerend.Voor de Tibetanen is 10 maart een dag om te herdenken omdat toen vijftig jaar geleden een grote Tibetaanse volksopstand bloedig is neergeslagen door het Chinese leger.

Vanwege deze gevoelige data was Tibet  vanaf 25 januari al gesloten voor buitenlandse toeristen. De Qinghai-Lhasa express, de trein over het hoogste traject  ter wereld, rijdt nog wel maar alleen voor Chinezen. Het is duidelijk dat de Chinese overheid  geen enkel risico meer wil nemen als het om Tibet gaat.

  Maar bij het Kumbum-klooster (Chinese naam is Ta’er) niet ver van Xining, de          hoofdstad van Qinghai, zijn  politie en leger in geen velden of wegen te  zien. 

 Verklaarbaar want in mei vorig jaar waren hier geen onlusten en het klooster is  volledig  geintegreerd in de samenleving van de proviciehoofdstad die doordrenkt is van  het boeddhisme dat ook door veel Chinezen wordt aangehangen.

Qinghai maakte ooit deel uit van het groot-Tibetaanse rijk;Han-Chinezen en Tibetanen wonen er ogenschijnlijk vreedzaam samen.

In 1357 werd in  Kumbum Tsongkhapa ,de  oprichter van de boeddhistische Gele hoed -sekte, geboren waarna twee eeuwen later het klooster werd gesticht.

Op weg naar het klooster zijn de  toeristenwinkeltjes nog gesloten. Er is dan ook nog geen toerist te zien. Die zijn trouwens in het afgelopen seizoen in hoofdzaak weggebleven. Vandaag zie ik alleen  boeren en schaapherders  die met vrouw en kinderen op pelgrimage naar het klooster gaan. 

Ze moeten hun halve maandsalaris neertellen voor een toegangskaartje van 8 euro en lopen vervolgens met hun plastic zakjes vol yakboter en flesjes offerwijn naar de binnenplaatsen van de tempelgebouwen, langs tientallen gebedsmolens  en de  naar vette rook stinkende altaren.

Op een pleintje voor het klooster kom ik een vriendelijke  Chinese zakenman tegen van midden veertig die vertelt dat hij zojuist heeft gebeden  in de tempel en dat hij boeddhist  is geworden omdat hij vond dat de Tibetaanse boeddhisten in zijn omgeving altijd opgewekt  en vriendelijk zijn: zo wilde hij ook worden.

In de galerij staan  acht vrouwen in kleurige zijde  en smoezelig yakbont op een rij hun kowtow uit voeren. Ze knielen  neer op een matje en met gladde slofjes aan hun handen glijden ze over de grond om vervolgens languit te gaan liggen met hun handen gevouwen  boven hun hoofd. Het ziet er uit als een  yogaoefening.

Binnen hangt een foto van de negende  Daila Lama en de door de Chinese aangewezen Panchen Lama. Het valt op dat bijna alle  teksten  in het Chinees geschreven zijn.

 De 25-jarige monnik Losang Nima  woont al vanaf  zijn twaalfde in het klooster. Hij vertelt  dat  de monniken  het Tibetaanse  Nieuwjaarfeest  (Losar) dit jaar hebben overgeslagen. In Tibet  vieren de meeste Tibetanen dit feest een maand na het Chinese nieuwjaarsfeest maar het  Kumbum-klooster is blijkbaar zo verchineest  dat ze de Chinese maankalender aanhouden voor het uitvoeren van hun nieuwjaarsritueel.

Ik heb gelezen dat sommige klooster uit protest dit jaar geen nieuwjaarsfeest vieren maar Losang  ontkent dat  en geeft een hele andere reden op: vorig jaar september is de broer van de Daila Lama  gestorven.

De monnik zegt dat er eigenlijk niet zo veel is veranderd sinds de opstanden. Steeds meer jonge Tibetanen   kiezen niet meer voor het kloosterleven. Ze willen geld verdienen of studeren in de stad.

Voor 1958  waren er 3600 monniken in Kumbum. In 2000 waren het er  nog maar 400.

Volgens Losang zullen dat er  in de toekomst  alleen nog maar minder worden omdat de Tibetanen net als de Chinezen maar twee kinderen mogen krijgen. Voorheen kregen de Tibetanen in de Qinghai-regio  nog een voorkeursbehandeling.

Anderzijds  migreren veel Tibetanen vanuit de zuidelijke  streken naar Xining op weg naar werk en een betere levensstandaard.

Hierdoor krijgen de kloosters rond Xining-behalve Kumbum is er nog een aantal kleinere  kloosters- meer aanloop van pelgrims en jonge Tibetanen die monnik willen worden.

Brand in Guo Mao

Dit is het zwart geblakerde Mandarin Oriental hotel in aanbouw op het terrein van het hoofdkwartier van  de Chinese staatstelevisie CCTV  in het zakencentrum Guo Mao de ochtend na de brand.

Het 44 verdiepingen tellende gebouw van bijna 160 meter  hoog  dat gisteravond om acht uur vlam vatte, zou 241 kamers, een bezoekerscentrum, een theater en tentoonstellingsruimtes bevatten.

Het  maakt onderdeel uit van het  project van de Nederlandse architect Rem Koolhaas. Het belangrijkste gedeelte van het complex, de  twee scheefstaande torens die ook wel de broekspijpen worden genoemd, is onbeschadigd.

De totale bouwkosten van het complex worden geschat op 600 miljoen euro.

Het ommuurde CCTV- terrein werd  vanochtend zwaar bewaakt. Aan de noordkant van het CCTV-complex, waar de vuurzee begon, stonden bewakers, politieagenten en soldaten.

Een van de buurtbewoners Chen Li, die op de negentiende verdieping van een belendend appartementencomplex woont, besloot gisteravond om acht uur samen met vrienden naar het vuurwerk te kijken.

Op het dak van het hotel zag zij een klein smeulend vuurtje  dat zich als snel uitbreidde. “Eerst dacht ik, dat het wel mee zou vallen, maar toen de vlammen uit het dak sloegen en de hitte voelbaar was, werd ik bang.”

De meeste omstanders wisten te  vertellen dat CCTV-stafleden hun eigen feestje vierde waarbij illegaal vuurwerk zou zijn afgestoken.

Later op de dag verklaarde ook  woordvoerder Luo Yuan van de  brandweer in Peking dat de brand  zou zijn veroorzaakt door illegaal vuurwerk dat werd afgestoken op een open ruimte te noorden van het terrein.

“CCTV gaf  een bedrijf opdracht meer dan honderd stuks vuurwerk af te steken maar deze waren veel zwaarder dan het vuurwerk dat op elke hoek van de staat verkrijgbaar is. Het bedrijf heeft  herhaaldelijke waarschuwingen van de politie genegeerd,”aldus de woordvoeder.

Volgens Luo worden de leden van de vuurwerkbrigade ondervraagd door de politie. Een brandweerman overleed vanochtend en zeven mensen onder wie zes andere brandweerlieden  liggen buiten levensgevaar in het ziekenhuis.

Vier jaar  geleden   werd  een twaalf jaar durend verbod op het afsteken van vuurwerk   opgeheven. De autoriteiten wilden het vuurwerk uitbannen om het milieu te sparen. Maar de  belangrijkste reden was de onveiligheid. Volgens de bewoners van Guo Mao ging  gisteravond meer vuurwerk de lucht in dan voorgaande edities van het Lantaarnfestival.

Koolhaas’architectenbureau OMA in Rotterdam reageerde geschokt op de brand. ”Hier is zeven jaar aan gewerkt. Het is vreselijk dat het gebouw is verwoest nog voordat het kon worden opengesteld voor het publiek .”

 

 

“City Woodpecker”

 

  

De man en de vrouw op de foto, die werd geplaatst  op  www.jangtse.com, zijn leden  van de burgerwacht van Yangzhou in de zuidelijke provincie Jiangsu. In deze stad  sloeg in 2005   een honderdtal   burgers de handen ineen; ze  richtten een belangenverenging op die zich ten doel stelde  burger en  overheid op te voeden en burgerlijke gehoorzaamheid te bevorderen. De  burgerwacht  kreeg in de regio de bijnaam “City Woodpecker”.

Op 1 februari, de eerste werkdag na het Chinese Nieuwjaar, trok  een aantal leden van deze vereniging gewapend met een camera naar het hoofdkantoor van de plaatselijke overheid. Zij wilden  registreren  welke overheidsfunctionarissen  daags na het feest op tijd op kantoor  verschenen.

Kantooruren beginnen  in Yangzhou om half negen maar pas om kwart voor negen druppelden de eerste ambtenaren binnen. Op datzelfde moment reed een auto met een regeringsnummerplaat langzaam richting de poort van het overheidsgebouw van Yangzhou. De auto stopte, de lokale baas draaide zijn raampje open en zei verontschuldigend: “Het spijt me heel erg maar u moet weten,ik was  gisteravond bij vrienden in een andere stad en ben  laat naar bed gegaan. Ik zal onmiddellijk mijn auto parkeren en als de donder aan het werk gaan.” Toen een van de controleurs het schuldbewuste gezicht van de ambtenaar zag, zei hij: “Ok, je bent slechts een fractie te laat. Maak een beetje voort.”

Om negen uur kwam een andere groep laatkomers aanslenteren. De  burgerwachten stapten naar voren en zeiden: “Gelukkig Nieuwjaar. Weten jullie niet hoe laat jullie op kantoor moet zijn?”

Een van hen keek op zijn horloge en zei: “Sorry, het is al negen uur. U heeft gelijk, we beloven beterschap.” Ondertussen had de plaatselijke pers lucht gekregen van de actie. Journalisten haastten zich naar het overheidsgebouw en vroegen de “City Woodpeckers” om een reactie:

“Het grote probleem van China is het gebrek aan moreel besef. De Chinese burgers maar vooral ook hun leiders moeten worden opgevoed en op hun verantwoordelijkheden worden gewezen. Mensen hebben geen boodschap aan de publieke zaak en zetten zich alleen maar in wanneer ze er zelf beter van worden. Geen wonder. Als overheidsfunctionarissen het slechte voorbeeld geven, hoef je van onopgeleide en onbewuste burgers helemaal geen gemeenschapszin te verwachten. Aangezien we keer op keer merken dat zij er een potje van maken, hebben wij de rollen omgedraaid. Wij gaan nu  onze leiders controleren.”